Matthie ‘Molly’ Silvius in rol Snekerspreker


‘Hé, ik ken wat!’

Tekst: Willem Altena

Fotografie: Jan Blaauw

Je zag haar publiek hardop denken: ‘Kiek, dat speult se!’. Maar het was toch echt waar, benadrukte Matthie Silvius. ,,Ik was as kien bleu, sei niet feul en werd op skool pesten”. Totdat zij voor het ‘front’ in de klas haar mond opendeed en ging voordragen….

‘Dus jou binne un Sneker, fertel…’ , heet de koffiepraatserie die de VHS’ers Alie Schulte en Albert Pasma al een poos met zoveel succes in de bibliotheek houden. Een onversneden Sneker is Matthie van der Linden echter niet. Ze is Bakhuister van geboorte, bouwjaar 1952. Niettemin vond de organisatie dat ze als Snekerspreker de ballotage glansrijk kon passeren.

Ook Matthie maakte deze dinsdagochtend 8 september gebruik van een groot diascherm. Niet dat zij dat echt nodig had, want haar vlotte, ontspannen en geinige verhalen bleken beeldend genoeg.

Op een van haar eerste zwartwit-kiekjes zag je haar ouderlijk gezin – dat zeven meisjes zou tellen en van wie zij de oudste was. Mem werkte vanaf haar twaalfde bij de boer, liep de tweede nacht weg en werd door beppe de volgende ochtend gedecideerd teruggestuurd.

Haar heit, afkomstig van Franeker, was wees op z’n elfde. Hij trok in bij zijn oudste zus in Stiens, werd in de oorlog opgepakt, verdween naar een Duits werkkamp, en werd na de Bevrijding meer dood dan levend uit een Rode-Kruistrein gehaald. Hij vond werk bij Mous in Bakhuizen. Matthie’s ouders werden een stel op een dansavondje in Hotel Rijs.

,,We woanden un flink end búten Bakhúzen, met ut Rysterbos as achtertún. Dat maakte jou in de ogen fan de dorpskienders al gau tot un bútenbeentsje. Ut was bij oans geen weelde en an de laatste moade deden we niet. Toen we nar Sneek ferhúsden, nar de Gajus Nautastraat, fielen we met oanze pofbroeken nog meer op. Ik skaamde mie doad.’’

Maar in zeven weken sprak ze Snekers en stak ze, haast per ongeluk, op de rooms katholieke Bonifatiusschool de vinger op, toen de leerkracht vroeg of iemand een gedichtje wilde voordragen. Geen van de jongens en meisjes durfde.

,,Mar ik deed ut wel, en niet eens ferkeard, seiden se. Ik docht: ‘Hé, ik ken wat un ander niet gau doët, mar bliekber wel leuk fient om nar te lústeren’. Ik leende un hip truitsje, trof Willy Poiesz as friendintsje en hoorde er fanaf dat moment bij. Pesterij foorbij”.

‘Stukjes doën’, tussen de schuifdeuren, op feestjes van een club, toneel in de gymzaal van de mulo, de eerste rollen bij het Snitser Frysk Toaniel. Later bij Toneelgroep Probe. Revues. Solo (`Moeke’) door de provincie. Openluchtspelen, zoals Fanfare, De Drie Gebroeders ter ere van de 100-jarige Sneker Pan, Goudsjeblom en Poddekrûd. Het laatste (spektakel)stuk rondom de Kolk, met beroepsacteur Rinze Westra die altijd zo mooi naturel speelde – maar volgens Matthie op feestjes en in de taxi zweeg als het graf…

Mag zijzelf dan geen raszuivere Sneker zijn, haar alter ego Molly is dat zeer zeker wel! Net als Heabeltsje de Jong (onnavolgbaar op de jaarlijkse Bonte Sneeker Avond vertolkt door Yede van Dijk) voelt Molly als iemand van vlees en bloed, die je zomaar tussen de schappen bij Puis kunt zien scharrelen. Hoewel de verjaardag van Frou de Jong al enkele jaren niet meer wordt gevierd, roemen theaterbezoekers nog geregeld Matthy’s rol als de trouwe ‘búfer’ van Heabeltsje.

Dolly Dot

In de bieb onthulde Matthie dat de wél echte Dolly Dot model stond voor Molly. De rondborstige dame van olijke zeden (en verkoopster bij parfumerie Hollywood) woonde op de hoek Steenklip-Kapelstraat. Achter het raam bescheen een rode schemerlamp haar contouren. Tussen de bedrijven door liet zij haar poedeltje uit op hoge wiebelpumps.

Matthie trof haar een keer op straat en vertelde over Molly en dat zij haar voorbeeld was. Dolly luisterde geïnteresseerd en leek het wel amusant te vinden. Bij een volgende ontmoeting nodigde Matthie haar uit om een voorstelling bij te wonen. Ze zegde toe te zullen komen, maar op de speeldag meldde Dolly zich telefonisch af.

,,Matthie”, zei ze, ,,as je mien poedel noadeg hewwe, dan magst um ophale, mar self ken ik spieteg genoeg niet komme. Ik hef ut heel erg oppe bust”. Matthie kon zich met moeite inhouden. ,,Ut lag mij op de lippen om te sègen: Nou, Dolly, dat ferbaast mie niks met hoe as jou dur ok meestal bij sitte…”

Vraag: had ze ook niet, net als wijlen Westra, van het toneelspelen haar beroep willen maken? ,,As jong meiske had ik inne kop: ik gaan nar de toneelskoal. Mar ja, toen kreeg ik ferkearing…’ Echtgenoot Nico Silvius hoorde achterin de zaal verrast op van Matthies onverholen ontboezeming. ,,Krij ik de skuld, nou, lekker is dat”, reageerde hij, quasi verongelijkt.

Maar Matthie (die tot haar pensionering het kantoor van Nico’s schildersbedrijf runde) weersprak het niet, waardoor het toch wat in de lucht bleef hangen. Hoewel ook dat wel weer toneelspel zal zijn geweest, want na haar causerie stonden zij en manlief (bevlogen duivenmelker en oud-leider van het populaire dweilorkest De Blauhúster Dakkapel) vreedzaam naast elkaar en fietsten ze samen gezellig door de regen terug naar hun mooie huis-met-prijswinnende-tuin aan de Zwettekade. Happy end. Doek! 

Geplaatst in Uncategorized.